8 oorzaken van een miskraam

Miskraam

Een miskraam, het verlies van een baby tijdens de zwangerschap of bij de geboorte is een zeer ingrijpende gebeurtenis. Als er sprake is van herhaalde miskramen of een doodgeboorte is de angst voor herhaling vaak groot. Je bent misschien geneigd je lichaam niet meer te vertrouwen of jezelf de schuld te geven. Daarom is het belangrijk om te weten wat de risicofactoren zijn – vaak kun je er simpelweg niks aan doen.

Wat is een miskraam?

Een miskraam wordt in medische termen een spontane abortus genoemd, maar bij het woord abortus denken veel mensen aan een opzettelijke zwangerschapsonderbreking. Daarom wordt dit een miskraam genoemd.

Er is sprake van een miskraam als de zwangerschap tijdens de eerste 20 weken spontaan wordt afgebroken. Dit komt relatief vaak voor. Tijdens de eerste zwangerschap krijgt ongeveer 10% van de vrouwen een miskraam. Vaak is er geen aanwijsbare oorzaak. Ook is het werkelijke aantal waarschijnlijk veel hoger, omdat een vroege miskraam vaak plaatsvindt voor een vrouw weet dat zij zwanger is.

Na een miskraam is de kans op een nieuwe miskraam niet tot nauwelijks verhoogd: 10 tot 15%. Ook dan kan nog steeds toegeschreven worden aan toeval. Anders is dat als er sprake is van drie of meer miskramen. Dan is er waarschijnlijk iets mis en is het heel belangrijk om dit verder te onderzoeken.

Het verlies van een kind na 20 weken zwangerschap noemt men een doodgeboorte. Het kan gaan om een foetus die in de baarmoeder overlijdt (intra-uteriene vruchtdood) of een baby die meteen na de geboorte geen teken van leven (hartslag en ademhaling) heeft vertoond. Dit komt voor bij ongeveer 5 op de 1000 kinderen.

Om de kans op een gezond kind na drie of meer miskramen of een doodgeboorte te vergroten zijn er zeven risicofactoren die bijzondere aandacht behoeven.

1. Hormonen

Een tekort aan vruchtbaarheidshormonen of een verstoorde balans van deze hormonen zijn veelvoorkomende oorzaken van miskramen en vroeggeboortes. Dit is belangrijk en ook makkelijk te testen. Meestal wordt er eerst een “nulmeting” gedaan. Dat wil zeggen dat voorafgaand aan de zwangerschap – liefst op de tweede dag van de menstruatie – de hormoonbalans wordt gemeten. Een verstoorde balans kan al in het prille begin van de zwangerschap problemen geven bij de vorming van de placenta of bij de innesteling van het embryo. Ook bij een doodgeboorte zijn er vaak problemen met de placenta ten gevolge van een verstoring van de hormoonbalans.

2. De stofwisseling

Het niet goed functioneren van de lever of schildklier en diabetes verhogen de kans op een miskraam of vroeggeboorte. Bij deze aandoeningen is vaak een onderliggende stofwisselingsstoornis aanwezig. Soms wordt een geringe afwijking van de schildklierfuncties over het hoofd gezien, terwijl dit ernstige gevolgen kan hebben.

Ook als een vrouw geen diabetes heeft op het moment dat ze zwanger wordt, kan tijdens de zwangerschap een voorbijgaande vorm van diabetes optreden, de zogenoemde zwangerschapsdiabetes. Tijdens een normale zwangerschap maakt het lichaam extra insuline aan om de bloedsuiker goed te houden. Bij zwangerschapsdiabetes gebeurt dat niet of niet genoeg. Daardoor is het bloedssuikergehalte te hoog. Dit verhoogt de kans op een miskraam, een doodgeboren kind en geboorteafwijkingen.

3. Het immuunsysteem

Het immuun- of afweersysteem beschermt het lichaam tegen ziekten en vreemde stoffen. Er worden antistoffen aangemaakt die de ziekte of vreemde stof bestrijden. Een verstoring van het immuunsysteem kan het risico op miskramen en doodgeboortes verhogen. Er zijn twee vormen:

  • Auto-immuunziektes
    In dit geval valt het immuunsysteem lichaamseigen stoffen aan. Auto-immuunziekten zijn verantwoordelijk voor naar schatting 30% van de herhaalde miskramen. Ook verhogen zij de kans op een doodgeboorte. Maar als dit vroegtijdig onderkend en behandeld wordt, kan 80% van de zwangerschappen van vrouwen met een auto-immuunziekte alsnog goed verlopen.
  • Allo-imuunafwijkingen
    In dit geval ziet het immuunsysteem het deel van de vrucht dat door de vader wordt geleverd als een lichaamsvreemde stof. Die wordt dan afgestoten. Normaal gesproken maakt het lichaam speciale beschermende antilichamen aan tijdens de zwangerschap die deze immuunreactie blokkeren. Als die reactie te zwak is, en er te weinig van deze antilichamen worden geproduceerd, kunnen “natural killer cellen” het embryo aanvallen en afstoten.

4. De anatomie

Een echo kan helpen om anatomische afwijkingen op te sporen die de kans op een miskraam en een vroeggeboorte doen toenemen. Mogelijke afwijkingen zijn:

  • Fibromen (vleesbomen) in de baarmoeder
    Het is belangrijk om te laten onderzoeken waar deze vleesbomen zich bevinden. Vleesbomen die in de baarmoederholte uitsteken kunnen een belemmering vormen.
  • Loslating van de placenta (placenta previa)
    Dit kan leiden tot het verlies van een kind in de late zwangerschap.
  • Problemen met de navelstreng
    Een navelstrengverzakking (prolaps), het bekneld of in de knoop raken van de navelstreng en een navelstreng die te strak om de nek van de baby zit kunnen ervoor zorgen dat een kind voor of tijdens de geboorte overlijdt.
  • Een te zwakke baarmoederhals (cervixinsufficiëntie)
    Aan het eind van de zwangerschap maakt de baarmoederhals zich klaar voor de bevalling. Als de baarmoederhals te vroeg uitzet, kan een miskraam of doodgeboorte volgen. Als het tijdig wordt onderkend en de aanstaande moeder bedrust houdt, kan een vroeggeboorte zo lang mogelijk worden uitgesteld. En dit kan de overlevingskansen van het kind aanzienlijk verhogen. Een goede voedingsstatus kan samen met andere methoden helpen de baarmoeder sterker te maken.

5. Infecties

Het is belangrijk om te onderzoeken of er geen sprake is van infecties. Dit kan door middel van een bloedonderzoek, een hoog uitstrijkje of een colposcopie (een kijkonderzoek van de baarmoedermond). Een probleem is echter dat infecties vaak “stil” zijn. De zwangere vrouw heeft dan geen klachten, maar het ontwikkelende embryo is niet bestand tegen deze infecties.

Bacteriën die infecties kunnen veroorzaken zijn:

  • chlamydia
  • groep B-streptokokken
  • gonorroe
  • gardnerella (bacteriële vaginose)
  • escherichia coli (E. coli)
  • mycoplasma
  • ureaplasma
  • rubella

Gardnerella en E. coli komen van nature voor in de vagina en darmen. Meestal geeft dat geen problemen, maar als er sprake is van een verzwakte weerstand kan dit wel het geval zijn.
Mycoplasma en ureaplasma-infecties geven bij niet-zwangere vrouwen doorgaans geen klachten, maar als een vrouw zwanger is kan dit zorgen voor ernstige afwijkingen aan de foetus. Dit is een groot probleem, omdat deze bacteriën resistent zijn tegen antibiotica. Daarom is het belangrijk om dit al voor de zwangerschap te onderzoeken.

Mogelijk schadelijke virusinfecties zijn:

  • influenza (griep)
  • parvovirus B19 (vijfde ziekte)
  • coxsackievirus A16 (mond en klauwzeer)
  • cytomegalovirus (behoort tot de groep van de herpesvirussen)

Infecties die worden overgedragen door contact met dieren zijn:

  • MRSA (vooral varkens)
  • malaria (muggen)
  • toxoplasmose (het “kattenbakvirus”, maar ook via uitwerpselen van katten in tuinaarde, en rauw of onvoldoende gegaard vlees)

Ook MRSA is een bacterie die resistent is tegen antibiotica.

En tenslotte zijn er listeriose en leptospirose, vormen van voedselvergiftiging door de listeriabacterie. Daarom wordt het vrouwen ontraden om zachte kaas, varkensvlees en rauwe vis te eten. Deze voedingsmiddelen vergroten namelijk de kans op een voedselvergiftiging.

6. Genen

 

Een genetische screening van beide ouders is belangrijk om genetische afwijkingen vast te kunnen stellen. Deze afwijkingen kunnen ervoor zorgen dat het kind niet levensvatbaar is. Er wordt gekeken naar aangeboren afwijkingen en genetische factoren als

Trombofilie, oftewel een verhoogd risico op een afsluitend bloedstolsel in een ader.

Polymorfisme van het MTHFR-gen, waardoor homocysteïne verhoogd wordt. Dit geeft een verhoogd risico op miskramen. Een verklaring hiervoor is dat een verhoogd homocysteïnegehalte in het bloed de vaatontwikkeling van de placenta verstoort.

Ook genetische afwijkingen van de foetus zelf kunnen leiden tot een miskraam. Deze kunnen tijdens de zwangerschap onderzocht worden door middel van een chorionbiopsie (vlokkentest) of vruchtwaterpunctie.

7. Leefstijl

Leefgewoonten hebben ook invloed op de kans van slagen van een zwangerschap. Denk hierbij aan alcohol-, tabak-, drugs- en medicijngebruik, overgewicht, de leeftijd van de moeder (en in iets mindere mate van de vader), ondervoeding en voedingstekorten (foliumzuur, andere vitamines en mineralen). Vaak gaat het ook om een combinatie van factoren.

8. Herhaalde miskraam ‘zonder oorzaak’

Maar ondanks alle kennis over risicofactoren resten er nog steeds herhaalde miskramen en doodgeboortes zonder dat er een verklaring voor is. En dat is waar ik me veel mee bezig houd. Het zijn de kleine dingen, de dingen die vaak afgedaan worden als onbelangrijk of over het hoofd gezien worden, die grote gevolgen hebben.

 

Aanmelden online training >>

 

About The Author

Jenaida

Sinds 2010 heb ik mij gespecialiseerd in voeding, leefstijl en mindset als medicijn. Mijn missie als fertiliteitsarts is om stellen met vruchtbaarheidsproblemen te helpen om op een natuurlijke manier hun kinderwens in vervulling te laten gaan.

Geef een reactie